HISTORIE

De weg van de lege hand…

Karate-do ( is: De weg van de Chinese hand) is een Japanse benaming voor een Okinawaanse martiale sport van Chinese oorsprong.

In 1917 maakte Japan voor het eerst kennis met Toudi-jutsu, zoals karate lange tijd genoemd werd, middels een demonstratie van Shorin-ryu door de Okinawaanse onderwijzer Gichin Funakoshi voor de kroonprins van Japan in de voormalige hoofdstad Kyoto. Maar het duurde tot 1922 voordat karate echt zijn intrede in Japan deed toen, ter gelegenheid van de Eerste Nationale Atletiek Manifestatie, die het Ministerie van Onderwijs Funakoshi uitnodigde om een demonstratie aan de Keio Universiteit in Tokio te geven. Vanaf dat moment werd karate snel populair, onder andere als onderdeel van de militaire opleiding.

In het Japans betekent Kara “Chinees” of “leeg”, afhankelijk van het teken. Bij de publicatie van zijn boek “Karate do Kyohan” op 25 oktober 1936, veranderde Funakoshi het teken voor “Chinees” naar “leeg” en bepaalde hiermee de huidige betekenis van de benaming karate: lege hand.

Tegenwoordig bestaan wereldwijd honderden verschillende karate-stijlen die naar het land van herkomst gegroepeerd worden. De belangrijksten zijn:

  • Korte voorwaartse standen
  • Lage gevechtshoudingen
  • Veel gebruik van vuisttechnieken, ondersteund door voettechnieken
  • Tactisch en technisch zeer gevarieerd
  • Dynamische uitvoering van de stijlen
  • Het doelgebied omvat de benen, het kruis en het lichaam

Japans Karate (1922)

Men onderscheidt rond de 50 verschillende stijlen, waaronder Shotokan en Wado-ryu. De algemene stijlkenmerken zijn:

  • Brede voorwaartse standen
  • Hoge of naar boven gerichte stoten, slagen en trappen
  • Het gebruik van vuisttechnieken is onderschikt aan voettechnieken
  • Tactisch arm, maar technisch voldoende
  • Statische uitvoering van de stijlen
  • Het doelgebied omvat het lichaam en het hoofd.

Koreaans karate (1932)

Men onderscheidt 9 verschillende stijlen, waaronder:Tae-kwon do. De algemene stijlkenmerken zijn:

  • Vliegende trappen
  • Vuisttechnieken zijn volkomen ondergeschikt aan beentechnieken
  • Tactisch arm, maar technisch hoogstaand
  • Dynamische uitvoering van de stijlen
  • Het doelgebied omvat vooral de bovenbenen en het lichaam

Shotokan

Gichin Funakoshi (zie foto, 1868-1957) beoefende Shorin-ryu bij Anko Itosu op Okinawa. Gelijk zijn meester wilde ook hij de stijl meer naar buiten brengen en nam zijn kans toen het Japanse Hof om een demonstratie van Toudi-jutsu vroeg.

Buiten het geven van demonstraties had Funakoshi ook de behoefte om Shorin-ryu op schrift te zetten om daarmee een zo groot mogelijk publiek te bereiken, met als doel iedereen mee te laten profiteren van de kennis om de persoonlijke gezondheid, welzijn en veiligheid te verhogen. Om die reden bracht hij in 1922, samenvallend met zijn demonstraties in Tokio, zijn eerste boek uit met de titel “Ryukyu kempo.

Toudi-jutsu” (kempo is een Japanse term om martiale stijlen aan te duiden die met China verband houden), tevens het eerste boekwerk dat ooit over karate is verschenen.

Funakoshi´s tweede boek, “Rentan goshin toudi-jutsu” uit 1925, was een herziening van het eerste met toevoeging van 10 actiefoto´s van hem zelf. Het gaf de wereld voor het eerste een blik in de keuken van karate.

Tijdens het schrijven van de boeken veranderde ook zijn mening over een aantal zaken binnen Shorin-ryu, met een nieuwe stijl als resultaat: Shotokan, genoemd naar Funkoshi´s dichterspseudoniem “Shoto” ofwel “Pijnbomen”. Om de lesmethode van zijn nieuwe stijl te verbeteren haalde hij vanaf 1930 de technieken uit de kata en bracht ze over naar de oefenvormen kihon en kumite, zodat ze beter konden worden aangeleerd.

Met zijn derde boek, “Karate do Kyohan” uit 1936, verbrak Funakoshi definitief alle banden met zijn oorsprong door het teken voor “Chinees” naar “leeg” te veranderen.

Wado-Ryu

Wado betekent “weg van harmonie” of “weg van vrede” en indiceert een zachte stijl. Daarmee harmonieert het bijzonder met zijn stichter, de Japanner Horonori Otsuka (1892-1982), die vriendelijk, vredig en humaan was. Zijn opvatting was dat het werkelijke doel van karate een speurtocht is naar de waarheid. Bij deze waarheid zijn 3 elementen van belang: fysieke kracht, bezieling en een hart. Het resulteert in een levenslange speurtocht naar de weg om goede en menselijke wezens te worden.

Otsuka was een leerling van Funakoshi en het verschil tussen Wado-ryu en Shotokan is qua uitvoering dan ook niet groot. Wado-ryu is meer vermengd met de Japanse martiale cultuur en legt dan ook de nadruk op de traditionele budo-kata, waarin de bewegingen van aikiodo, judo, kendo en andere Japanse stijlen duidelijk aanwezig zijn.

Kyokushinkai

De uiterste waarheid

Yong i-choi werd op 27 juli 1923 in een dorpje dichtbij Kunsan in het zuidwesten van Korea geboren. Op 9-jarige leeftijd ontmoette hij tijdens een langdurig verblijf op de boerderij van zijn zuster in China de boerenknecht: ‘Yi’, die hem in aanraking bracht met “Achttien handen”, een zuid Chinese vorm van kempo. Op 12-jarige leeftijd keerde hij naar Korea terug en beoefende daar het Koreaanse kempo. In 1938 vestigde hij zich in Japan waar hij, vanwege de vele problemen die hij door zijn Koreaanse afkomst ondervond, zijn naam wisselde voor een Japanse: Masutatsu Oyama (zie foto).

Na een korte periode, die hij opvulde met judo en boksen, kwam hij in aanraking met Shotokan en trainde in de dojo van Gichin Funakoshi. Daar behaalde hij al op zijn 20e jaar de 4e dan. Ook zijn belangstelling voor judo kwam weer terug en in 4 jaar tijd wist hij ook hierin tot de 4e dan te promoveren.

Door een ontmoeting met zijn landgenoot So Nei Chu, een volgeling van Gogen Yamaguchi, maakte Oyama kennis met de harde Japanse versie van Goju-ryu. Samen met een andere leerling, een zekere Yashiro, besloot hij zich volledig op deze stijl van karate toe te leggen en reisde naar de berg Minobu in de Japanse Provincie Chiba om daar gedurende een periode van 3 jaar in afzondering te trainen. Helaas moest Yahiro het na 6 maanden opgeven en werd de eenzaamheid na 14 maanden ook voor Oyama te veel. Toch was de inspanning niet voor niets, want kort na zijn terugkeer leverde de training in de bergen hem de eerste plaats op bij het eerste Open Japanse Karate Kampioenschap van 1947.

Maar het lege gevoel van het niet volbracht hebben van de 3 jaar training in de bergen bleef aan Oyama knagen. Daarom hervatte hij, alleen en in volledige afzondering, deze training op de berg Kiyozumi, eveneens gelegen in de provincie Chiba.

Conform de methode van Gogen Yamaguchi (zie foto) trainde hij daar 12 uur per dag en 7 dagen per week gedurende 18 maanden Goju-kai. Daarnaast besteedde hij veel aandacht aan de klassieke krijgskunst en de innerlijke kracht middels Zen-meditatie. In zijn zoektocht naar een ultieme martiale methode elimineerde of veranderde Oyama tevens alle technieken die volgens hem in het gevecht niet effectief waren en vulde leegten aan met eigen technieken. Uiteindelijk keerde hij weer terug naar de bewoonde wereld, zowel fysiek als mentaal gesterkt en met een geheel nieuwe stijl:
Kyoku shin (is: Uiterste waarheid).

Oyama was een uitstekend promotor van zijn stijl en demonstreerde zijn kunde op vaak spectaculaire wijze. In 1952 reisde hij een jaar lang door de Verenigde Staten om daar de kracht van zijn stijl te demonstreren. In 1953 stond hij in Chicago ongewapend tegenover een stier in een beroemd geworden gevecht, dat live door de nationale televisiestations werd uitgezonden. Tijdens zijn promotietour door de Verenigde Staten nam hij ook iedere serieuze uitdaging aan, hetgeen resulteerde in 270 gevechten. Geen enkel gevecht duurde langer dan 3 minuten en de meeste zelfs niet meer dan enkele seconden. Zijn methode was eenvoudig: “Ichi geki, hissatsu!”, ofwel “Een aanval, zekere dood!”. Hij sloeg gewoon dwars door zijn tegenstander heen. Het blokkeren van een vuiststoot betekende een gebroken arm en het niet blokkeren leverde een paar gebroken ribben op.

Direct na terugkeer uit de Verenigde Staten begon Oyama op een grasveld in Mejiro, een stadswijk van Tokio, met het geven van karatelessen. In 1956 werd de eerste dojo geopend in een gewezen balletstudio achter de Rikkyo universiteit, waar na een jaar al 700 leerlingen oefenden. Oyama zag Kyokushin in de eerste plaats als een vechtmethode en gedurende de training was het dan ook normaal om te raken en geraakt te worden.

Na enkele demonstaties zag Oyama in dat een veredeling betekende en stemde toe, waarmee de uiteindelijke stijl Kyokushin Kai (is: Uiterste waarheid en samenwerking) was geboren.

Op 26 april 1994 overleed Masutatsu Oyama ten gevolge van longkanker. De commotie over zijn opvolging had tot gevolg dat de organisatie in 3 groepen uiteen viel, waarvan de groep onder leiding van Akiyoshi Matsui als de meest officiële gold. Lang duurde dit niet, want op 5 april 1995 werd Matsui tijdens een tumultueuze eerste jaarvergadering afgezet en door Ykio Nishida opgevolgd, hetgeen wederom tot versplintering van de organisatie leidde. Sommige groeperingen bleven trouw aan de principes van Oyama, maar anderen gingen vanuit de basis van Kyokushinkai verder met het ontwikkelen van hun eigen stijl. De bekendsten hiervan zijn Oyama karate van de gebroeders Shigeru en Yasuhiko Oyama, Ashihara karate van Hideyuki Ashihara en Enshin karate van Joko Ninomiya. In 1961 werd Kyokushinkai door John Bluming in Nederland geïntroduceerd.

Het Kanku

Het symbool van Kyokushinkai is het Kanku, dat de oneindigheid aangeeft. Het is een handhouding uit het Boeddhisme, waarbij de beide handen met de palmen naar voren worden gehouden en de gestrekte duimen en wijsvingers elkaar raken. De handen omvatten het uitspansel. De hoeken van het symbool corresponderen met de vingers en de bredere gedeelten met de polsen. Het midden vormt de doorkijk naar de oneindigheid. De cirkel er omheen geeft de nooit eindigende actie aan. In het Japans betekent Kan: “goede waarneming” en ku: “ruimte”.